C: les auxiliaires - Construction des temps

Conjugaison :
Les auxiliaires être et avoir - ZIJN en HEBBEN
·        ZIJN (être)
o   Ik ben

o   Je bent  (ben je ? - pas de « t »)
o   U bent  (bent U ?)

o   Hij is
o   Ze is
o   Het is

o   We zijn
o   Jullie zijn
o   Ze zijn

·        HEBBEN (avoir)
o Ik heb

o Je hebt (heb je ? - pas de “t”)
o U hebt (hebt U ?)

o Hij heeft
o Ze heeft
o Het heeft

o We hebben
o Jullie hebben
o Ze hebben

·       MOETEN (devoir)
o Ik moet

o Je moet   (moet je ? on garde le “t”)
o U moet (moet U ?)

o Hij moet
o Ze moet
o Het moet

o We moeten
o Jullie moeten
o Ze moeten

·       KUNNEN (savoir faire - pouvoir: avoir la possibilité de)
o   Ik kan

o   Je kan/kunt  (kan/kun je ? - pas de “t”)
o   U kan/kunt  (kan/kunt U ?)

o   Hij kan
o   Ze kan
o   Het kan

o   We kunnen
o   Jullie kunnen
o   Ze kunnen